| |
| eene nieuwe tyding, (zegt hy) men boodschapt my de komst
van Duytslands grootsten Schilder Joachim de Sandrart,
die, zo men voorgeeft, by den Keyzer eere en glorie komt
zoeken, en den Kamermâler van die Majesteyt Luyks poogt
de kroon van het hooft te steeken, en zich zelven ten Hove
in te wortelen.
MATHYS WITHOOS
| | Die Konstschilder is geboren tot Amersfoort, in den
jaare duyzent ses hondert zeven en twintig, en hy gaf
van zijn eerste jeugd al verstaanbaare blijken, dat hy tot
een Schilder in de wieg was gelegt. Den groote Jakob
van Kampen, dien beruchte Bouwmeester van het Weerelds
achtste Wonder, het Raadhuys van Amsterdam,
kwam den Vader van M. Withoos dikmaals bezoeken, als
hy zich ophield op zijn Wooning genaamt Ransbroek,
na by Amersfoort, en zag by die gelegendheyt de zucht
des Jongelings tot de Tekenkonst, die Moeder aller Konsten.
Hy bood den Jongen de behulpzaame hand, onderwees
hem in de gronden van de Têkenkonst, en hy
brogt hem zo ver binnen den tijd van ses jaaren, dat hy
kon gaan dryven op zijne eygen wieken. Korts daar aan
kreegen sommige jonge Knaapen de reyslust in 't hooft,
en wikkelden onder anderen Otto Marceus, Hendrik
Graauw, een Medeleerling van J. v. Kampen, en onzen
M. Withoos in die Konspiratie, die met hun sessen de
gang opnaamen na Romen. Een van die Ses wiert onderwegen
gearresteert by de Dood, en de andere bleeven in
Italien, uytgezondert Otto Marceus en Mathys Withoos,
die na een verblijf van twee jaaren wederkeerden na het
Vaderlant, op het jaar duyzent ses hondert en vyftig.
| | Mathys Withoos was een braaf Konstschilder in Kruyden,
Bloemen, Slangen, Hagedissen, Vlindertjes, en in al
zulke
|
|